Ouders kunnen een belangrijke rol spelen in het voorkomen van jeugdcriminaliteit. Maar wie de focus alleen op ouders legt, mist het bredere plaatje. In een eerder gesprek benadrukt Mike Loef, onderzoeker bij het Nederlands Jeugdinstituut (NJi) en buitenpromovendus aan de Erasmus Universiteit Rotterdam, het belang van een sterke pedagogische basis. In zijn promotieonderzoek verdiept hij zich verder in de rol van ouders, opvoeding en de samenwerking met professionals. ‘Juist als ouders zich zorgen maken, wil je dat zij hulp durven vragen. Dan helpt het niet als de toon is: dit is jullie schuld.’

Wat wilde je met jouw promotieonderzoek beter begrijpen? 

“Bij het NJi sprak ik met veel professionals, beleidsmakers en ouders. Professionals zeiden: we vinden het moeilijk om ouders te bereiken of te betrekken. Ouders zeiden juist: we voelen ons niet gehoord of serieus genomen. Daar zat een mismatch. Alsof de brug ontbrak. 

Daarom ben ik me met mijn promotieonderzoek gaan verdiepen in de vraag wat ouders nodig hebben. We weten al best veel over opvoedfactoren en jeugdcriminaliteit, maar minder over de ervaring van ouders zelf. Hoe ouders zich in hun rol gehoord en ondersteund voelen, wat zij nodig hebben en hoe zij kunnen en willen samenwerken met de mensen om hen heen.” 

Waar kunnen ouders volgens jou het verschil maken, en waar liggen juist de grenzen van hun invloed? 

“Als het over jeugdcriminaliteit gaat, wordt vaak als eerste gekeken naar het toezicht van ouders en hun zicht op wat er in de leefwereld van hun kind speelt. Tegelijkertijd maken jongeren zich in de puberteit steeds meer los van hun ouders. Dat hoort bij een gezonde ontwikkeling, maar maakt het ook lastiger om goed zicht te houden. 

Juist daarom maken onderzoekers onderscheid tussen drie vormen van ouderlijke betrokkenheid: regels stellen, actief bevragen waar je kind is en wat het doet, en de openheid van kinderen zelf. De aandacht gaat vaak uit naar die eerste twee. Maar onderzoek laat zien: controle is belangrijk, alleen de ruimte die kinderen voelen om uit zichzelf te vertellen waar ze zijn, met wie ze omgaan en wat er speelt, hangt van deze drie factoren het sterkst samen met minder jeugdcriminaliteit. 

Daarom is het belangrijk dat ouders laten merken dat hun kind bij hen terechtkan. Dat vraagt om het stellen van grenzen, maar óók warmte in de communicatie, zeker op momenten dat een kind iets stoms heeft gedaan en zich misschien schaamt of bang is dat de ouder boos is. Bij jeugdcriminaliteit, en zeker bij criminele uitbuiting, is de druk op jongeren vaak groot. Daardoor is het moeilijk om zich daaraan te onttrekken of hulp te vragen. Op zulke momenten maakt het verschil of een jongere zich veilig genoeg voelt om thuis te vertellen wat er speelt. 

Kortom: de kwaliteit van de relatie tussen ouder en kind doet ertoe en kan een belangrijke beschermende factor zijn. Tegelijkertijd is het belangrijk om te benadrukken dat de rol van ouders en opvoeding belangrijk, maar niet allesbepalend is. De invloed van ouders bestaat altijd uit een samenspel van factoren, zoals het individuele kind, het gezin en de omgeving waarbij niet één factor doorslaggevend is.” 

Hoe ervaren ouders het contact met professionals? 

“De ervaringen verschillen sterk. Er zijn positieve voorbeelden, vooral waar professionals de tijd nemen om vertrouwen op te bouwen. In die positieve verhalen hoor ik vaak dezelfde elementen terug: geen vooringenomenheid, open communicatie en geen hiërarchische toon. Ouders willen niet het gevoel krijgen dat er over hen geoordeeld wordt. Tegelijkertijd is er ook regelmatig wantrouwen richting hulpverlening. Dat komt soms voort uit eerdere ervaringen van ouders, of uit verhalen uit hun omgeving. Als professional sta je dan al met 1-0 achter.” 

Wat zou je gemeenten die werken met Preventie met Gezag willen meegeven? 

“Investeer als gemeente in de randvoorwaarden voor goede samenwerking. Dat begint bij het versterken van lokale netwerken en vertrouwen geven aan succesvolle initiatieven. Preventie met Gezag geeft een impuls, maar die aanpak moet wel toekomstbestendig zijn. Dus niet: een project van één of twee jaar dat daarna weer stopt, maar kijken welke netwerken er al zijn of ontstaan en hoe je die blijvend kunt ondersteunen. Waar het goed gaat, zie je vaak dezelfde rode draad: ouders worden betrokken bij de totstandkoming van initiatieven óf bij de versterking van bestaande initiatieven. 

Zorg er ook voor dat professionals de tijd en ruimte krijgen om relaties op te bouwen en écht aan te sluiten bij wat ouders nodig hebben. Dat vraagt ook om het besef dat zij niet altijd de juiste persoon hoeven te zijn om het gesprek te voeren. Die rol kan net zo goed liggen bij informele steunfiguren die het vertrouwen van jongeren en ouders hebben, zoals een buurvrouw die een oogje in het zeil houdt, een oom of tante of een sportcoach uit de buurt.  

Wees daarnaast terughoudend met repressieve maatregelen richting ouders. Zulke aanpakken werken onbedoeld soms juist averechts. Dat zie je bijvoorbeeld bij de ‘Parenting Orders’ in het Verenigd Koninkrijk, waarbij ouders onder meer verplicht kunnen worden om een opvoedcursus te volgen. Als zij dat niet doen, kan dat leiden tot een boete of zelfs strafrechtelijke vervolging. Het onderzoek naar de effectiviteit van deze aanpak is beperkt. Wat er ligt, wijst erop dat zo’n aanpak niet effectiever is dan vrijwillige ondersteuning. Sterker nog, het kan juist leiden tot meer weerstand bij ouders en een groter gevoel van stigma: het gevoel dat ze niet voldoen als ouder.  

Het Verenigd Koninkrijk zet deze ‘Parenting Orders’ dan ook steeds minder in, terwijl ze in Nederland nog geregeld als inspirerend voorbeeld worden genoemd. Juist dat baart mij zorgen, vanwege mogelijke onbedoelde effecten. Een repressieve benadering zet de relatie tussen ouder en kind verder onder druk, terwijl die relatie in deze levensfase een belangrijke beschermende factor is. Bovendien verhogen dit soort maatregelen de drempel om hulp te zoeken, terwijl je juist wilt dat ouders eerder aan de bel trekken als ze zich zorgen maken.” 

Waar zit volgens jou de meeste winst de komende jaren, en wat hoop je dat er verandert? 

“Het valt me op dat we als samenleving en in de politiek snel uitgaan van onwil bij ouders. Na incidenten met jongeren zie je reacties als: ouders voeden niet meer op. Er klinkt dan een roep om strengere maatregelen richting ouders. Ik maak me daar zorgen over, omdat je daarmee impliciet communiceert: het gedrag van je kind is jouw schuld. Terwijl veel ouders al druk ervaren in hun rol als opvoeder, veel ballen in de lucht moeten houden en zich er vaak alleen voor voelen staan. Dat zien we ook terug in recente onderzoeken, zoals De Staat van het Gezin van onder meer Stichting Voor Werkende Ouders en het Nederlands Centrum Jeugdgezondheid, en het onderzoek Ouders onder Druk van de Erasmus Universiteit Rotterdam.  

Ik hoop dat we jeugdcriminaliteit blijven benaderen als het complexe fenomeen dat het is, met een groot aantal factoren die op elkaar ingrijpen. Denk aan kansengelijkheid, wachtlijsten in de zorg, armoede en de invloed van de wijk waarin kinderen opgroeien. Het idee dat je dit oplost door ouders ‘beter’ te laten opvoeden, doet geen recht aan die werkelijkheid. En ook niet aan de structurele factoren waar ouders geen grip op hebben. 

Als we als maatschappij erkennen dat jeugdcriminaliteit door meerdere factoren wordt bepaald, vraagt ook iets van hoe we naar ouders kijken. Meer vanuit het besef dat opvoeden – zeker in de puberteit – een uitdagende fase is, laat staan in situaties waarin ouders ook te maken hebben met armoede en andere uitdagingen. Juist dan moet de drempel om steun te zoeken omlaag, niet omhoog. Jeugdcriminaliteit ontstaat uit een samenspel van factoren en laat zich niet oplossen door alleen ouders of met één interventie. Het is een maatschappelijk vraagstuk, meer dan een opvoedprobleem.”