Hans Bellaart is senior onderzoeker bij het Verwey-Jonker Instituut en coördinator van het Kennisplatform Inclusief Samenleven (KIS). Met een achtergrond in de pedagogiek en jeugdzorg houdt hij zich al decennialang bezig met informele netwerken, sleutelpersonen en de kloof tussen systeem en leefwereld. Etnisch-culturele diversiteit heeft daarbij zijn bijzondere aandacht. In dit interview deelt hij zijn inzichten en praktische tips voor gemeenten.
Je houdt je al decennia bezig met de rol van informele netwerken. Hoe heb je die rol de afgelopen jaren zien veranderen?
“De dynamiek is enorm. Ongeveer twintig jaar geleden werd de inzet van sleutelpersonen en informele netwerken voor preventieprojecten nog gewaardeerd. Er was specifiek beleid om de positie van mensen met een migratieachtergrond te verbeteren. De integratieambtenaren bij gemeenten onderhielden contact met vele zelforganisaties van en voor mensen met een migratieachtergrond. Deze functies kwamen te vervallen met kabinet-Rutte I, dat vanaf 2010 regeerde met gedoogsteun van de PVV. Ook de subsidies aan de stichtingen verenigd in het Landelijk Overleg Minderheden werden toen ingetrokken.
De laatste jaren zien we weer een andere ontwikkeling: de anti-woke-beweging wint aan terrein: het goed omgaan met diversiteit en het bevorderen van inclusie worden negatief geframed. Informele netwerken kregen minder steun en gingen zelf professionaliseren.
Kortom, de rol van informele netwerken verandert voortdurend. Overheden en maatschappelijke organisaties zouden de meerwaarde van netwerken veel meer benutten als ze de netwerken duurzaam een plaats in het systeem zouden geven.”
Waarom blijft het voor de overheid zo moeilijk om de potentie van informele netwerken te benutten?
“Ondanks alle goede bedoelingen blijft er een kloof tussen de systeem- en de leefwereld. Het systeemdenken is nog steeds: als mensen een probleem hebben, kunnen ze bij een professional terecht. Maar voor veel groepen in de samenleving werkt dat anders. Dat heeft te maken met taal en cultuur, maar ook met gevoelens van achterstelling en discriminatie. Onderzoek heeft bijvoorbeeld meer inzicht gegeven in het wantrouwen dat er is bij veel mensen met een migratieachtergrond richting de jeugdzorg. Daar leeft de gedachte dat als je je kind niet opvoedt volgens Nederlandse normen en waarden, de jeugdzorg je kind kan ‘afpakken’.
Overheden en organisaties zijn zich te weinig bewust en erkennen nog te weinig het potentieel van informele netwerken om de kloof tussen systeem- en leefwereld te overbruggen. Ook vinden overheden het lastig om contacten met sleutelpersonen te onderhouden. Binnen iedere gemeenschap heb je vaak een mozaïek aan subgroepen: groepen die heel verschillend zijn en soms zelfs tegenover elkaar staan. Je ziet het nu ook bij de Nederlandse Iraniërs. Zelfs binnen de groep tegenstanders van het regime in Iran zijn forse meningsverschillen. Dat maakt gemeenschappen vaak heel complex. De valkuil is dat een gemeente via één persoon een beeld denkt te kunnen krijgen van een hele gemeenschap. Maar zo werkt het niet.”
Het vinden van sleutelpersonen is dus niet eenvoudig. Heb je tips?
“De ene gemeenschap is beter georganiseerd dan de andere, maar er zijn altijd wel ingangen. In vrijwel elke gemeente is wel een kerk, moskee, ontmoetingscentrum, of vrouwenorganisatie te vinden. Ook subgroeperingen hebben vaak wel weer een eigen stichting. Ga daar in gesprek en vraag rond. Dan hoor je vanzelf: met die persoon moet je praten. Dat kunnen rolmodellen zijn, jongeren uit de doelgroep zelf, maar ook ouders, zoals de Schilderswijk-moeders in Den Haag. Er is geen lijstje met criteria. Belangrijk is dat deze personen aanzien hebben binnen hun achterban en tegelijkertijd een beetje genuanceerd zijn.”
Wanneer je die sleutelpersonen eenmaal gevonden hebt, hoe ga je dan verder?
“We hebben daar vanuit het Kennisplatform Inclusief Samenleven de handreiking Duurzame Bruggen Bouwen over geschreven. Daarin maken we onderscheid tussen drie functies: ondersteunen, overbruggen en adviseren. Ondersteunen betekent dat sleutelpersonen mensen helpen, uitleg geven en soms al direct problemen kunnen oplossen. Overbruggen betekent dat ze mensen begeleiden naar professionals als dat nodig is. En als organisaties openstaan voor advies kunnen zij van sleutelpersonen leren hoe de hulpverlening beter aan kan sluiten bij de leefwereld van diverse groepen. Zo kan de kloof die ik eerder noemde dus overbrugd worden.
In de praktijk zien professionals sleutelpersonen vaak nog te weinig als gelijkwaardige partners. Wijkteams of jongerenwerkers denken: stuur mensen met problemen maar door, wij zijn hiervoor aangesteld, wij zijn hiervoor opgeleid. Niet per se omdat ze het beter denken te weten of bang zijn voor concurrentie. Vaak zijn ze op dit vlak nog onbewust onbekwaam.”
Welke goede voorbeelden zie je in de praktijk?
“Een mooi voorbeeld is Nidos: de organisatie die in Nederland de voogdij uitvoert voor alleenstaande minderjarige vluchtelingen. Daar werken naast honderden jeugdbeschermers, ook tientallen interculturele mediators. Dat laat zien dat professionals erkennen: we kunnen dit niet altijd alleen. Die mediators helpen om de brug te slaan.
Je ziet ook goede voorbeelden in gemeenten. In Haarlem werken informele organisaties structureel samen met wijkteams, soms zelfs in dezelfde ruimte, met een gezamenlijk spreekuur. Dan kun je makkelijk afstemmen. In Zaanstad krijgen sleutelpersonen een werkplek bij het wijkteam jeugd en ontvangen ze voor hun rol een vergoeding. Dan neem je ze serieus.”
Welke concrete tips heb je voor gemeenten die meer willen samenwerken met informele netwerken?
Gemeenten hebben vooral een faciliterende rol. Ze kunnen samenwerkingsverbanden tussen professionals en informele netwerken smeden en ondersteunen. Ook kunnen ambtenaren die verantwoordelijk zijn voor de inkoop van zorg of welzijn, vragen stellen over het aanbod. Zijn partijen wel voldoende toegankelijk? Leveren ze kwaliteit voor een heel diverse groep? Daar kun je eisen over opnemen in je aanbesteding. Je kunt bijvoorbeeld concrete rollen en verantwoordelijkheden vastleggen. Of partijen vragen naar hun visie op informele netwerken.
Streef vooral naar een gelijkwaardige samenwerking. Sleutelpersonen hebben er genoeg van om alleen maar gevraagd te worden wanneer er brandjes moeten worden geblust. Ik weet van mensen die om vier uur ’s nachts uit bed worden gebeld voor jongeren met suïcideproblematiek. Dan stáán ze er ook. Ze zijn enorm betrokken, maar lopen ook tegen grenzen aan. Het is vaak zwaar. Ze hebben het vertrouwen en de steun nodig van professionals.”
Welke rol zie je voor de wetenschap?
“Als wetenschappers leveren we geobjectiveerde kennis over de meerwaarde van informele organisaties. Bij het Verwey-Jonker Instituut en KIS doen we dat met praktijkgericht onderzoek, met inzichten en aanbevelingen die direct toepasbaar zijn. De komende tijd zou ik nog wel meer onderzoek willen doen naar de rol van peergroups. En naar de factoren die bepalen wanneer duurzame samenwerkingen écht werken.
De resultaten van preventie zijn altijd moeilijk aan te tonen. Je weet nooit precies wat oorzaak en gevolg zijn. Maar iedereen voelt op zijn klompen aan dat het waardevol is om jongeren die rondhangen op straat te betrekken bij zinvolle activiteiten. Zoals samen muziek maken: dat kan alleen maar positief zijn.”