Hoe een extreemrechtse jongen deradicaliseerde

Een in legerkleding gestoken puber houdt in de klas een vlammend betoog over hoe gevaarlijk moslims zijn voor volk en vaderland. Een klasgenoot legt het vast. Het filmpje belandt op Dumpert en duizenden mensen bekijken het. Dit is de start van het radicaliseringsproces van Michel Letteboer. Ruim 12 jaar later blikt hij hierop terug. En deelt hij hoe hij van een jongen met extreemrechtse en nationaalsocialistische denkbeelden veranderde in de gematigde geschiedenisleraar die hij nu is. 

Zoals vrijwel elke 16-jarige ging Letteboer op zoek naar zingeving, naar normen en waarden, naar zijn eigen identiteit. ‘Op school liep ik een charismatische leeftijdsgenoot tegen het lijf. Een uitmuntende verteller. Iemand die net als ik hield van geschiedenis en politiek. Hij spiegelde me voor dat Nederland in verval was dankzij een linkse regering. En dat moslims de vijand waren.’ 

Michel Letteboer
Beeld: ©ESS / Rob Acket
Michel Letteboer

Binnen enkele weken radicaliseren

Het wekte zijn nieuwsgierigheid. Hij bezocht enkele websites die extreme idealen verkondigden, kreeg online bevestiging van wat zijn schoolgenoot beweerde. ‘Zo radicaliseerde ik binnen enkele weken. Ik werd een bubbel ingezogen.’ Met militaristische kleding en boude beweringen in de klas droeg hij zijn nieuw verworven denkbeelden uit. 

De school raakte gealarmeerd en legde hem restricties op in een poging zijn gedrag de kop in te drukken. ‘Ik mocht geen legerkleding meer dragen, ik mocht niet meer over politiek praten op school. Dat hielp niks. Sterker nog: al dat straffen leidde ertoe dat ik nog verder radicaliseerde. Ik kreeg online contact met gelijkgestemden, was actief op het forum Stormfront en werd activist bij de Nederlandse Volksunie.’ 
 

'Mijn ouders klopten bij diverse instanties aan voor hulp'

Ongeruste ouders

Zijn vader en moeder zagen het met lede ogen aan. Ze begrepen het niet. Maakten zich ongerust. Probeerden hem af te remmen, bijvoorbeeld door hem te verbieden naar demonstraties te gaan. Het leverde de ene ruzie na de andere op. ‘Mijn ouders klopten bij diverse instanties aan voor hulp. De politie kon niks doen zolang ik niet in overtreding was. Jeugdzorg kwam ook niet in actie, omdat ik uit een keurig gezin kom zonder noemenswaardige problemen.’

Waar zijn ouders het in discussies tegen hem aflegden, is er één familielid met veel verstand van geopolitieke zaken die hem wél weerwoord wist te bieden. ‘Hij ging met me in gesprek. Stelde vragen. Telkens weer. Hij bleef dichtbij. Liet me niet los. Fungeerde als klankbord en belichtte andere invalshoeken.’ 
 

Binnen de kaders van de wet

Die gesprekken hielpen een klein beetje om van perspectief te wisselen. Ook realiseerde hij zich dat hij zijn droom om leraar te worden niet in gevaar wilde brengen. Wel deed hij mee aan demonstraties van de Nederlandse Volksunie, waarbij het er hard aan toeging. Tegendemonstranten bekogelden hem met stenen. ‘Ik dacht toen al dat het mij te heftig was. Niet voor herhaling vatbaar.’ 

Hij zag zichzelf bovendien terug op foto’s van demonstraties in de lokale media. Zijn vrienden – allemaal supporters van Heracles Almelo – zagen dat ook en waren “not amused”. ‘De voetbalwereld in Nederland is wars van politiek. De jongens uit de groep waarmee ik optrok, maakten me duidelijk dat ze niet geassocieerd wilden worden met nazi’s. Met mijn radicale levenswandel zette ik dus mijn vriendschappen op het spel. Dat wilde ik niet.’ 

'Deradicalisering is een proces'

Bronnenkritiek en zelfreflectie

Eenmaal student op de lerarenopleiding geschiedenis ontmoette hij bovendien veel verschillende mensen met diverse achtergronden. Daar leerde hij ook kritisch kijken naar bronnen. ‘Wat staat hier? En klopt dat wel? Bovendien werden we doodgegooid met reflectie. Wie ben je? Wat wil je? Het maakte me kritischer – ook op mezelf.’

Alles bij elkaar verbreedde zo langzamerhand zijn wereldbeeld. Uiteindelijk verbrak hij contacten met mensen uit de radicale wereld. En ontwikkelde hij andere standpunten. ‘Mijn geloof – ik ben van huis uit katholiek – heeft me daarbij ook geholpen. Als puber wilde ik niks van religie weten, ik was er wars van. Maar toen ik aan het deradicaliseren was, raakten de ideeën van naastenliefde en vertrouwen in een hogere macht mij opnieuw.’

Deradicalisering is een proces, benadrukt Letteboer. ‘Mensen vragen vaak naar wat het kantelpunt was voor me. Ik moet dan altijd een beetje glimlachen. Er was niet een bepaald kantelpunt. Wel een bewustwording die steeds groter werd: is het waard wat ik aan het doen ben? Klopt dit wel? En wil ik hier nou echt mijn toekomst voor op het spel zetten?’ 
 

Argusogen

Hoewel Letteboer afstand had genomen van zijn extreme idealen, bekeek de maatschappij hem in eerste instantie met argusogen. Zijn nachtmerrie werd zelfs werkelijkheid. Het aanbod voor een baan op zijn stageschool werd ingetrokken toen het schoolbestuur lucht kreeg van zijn verleden. ‘De directie was in de overtuiging dat ik nog onverminderd extreemrechts was en vond mij geen goed voorbeeld voor de leerlingen. Het gaf een hoop rumoer. In de krant werd gesproken over ontslagen nazi-docent. Voor mij was dit een ramp. Ik dacht dat ik er nooit van terug zou komen. Ik ben langzaam opgekrabbeld. Heb ander werk gedaan. Begon me te bezinnen. Vroeg me af hoe ik mijn ervaringen in kon zetten om radicalisering onder jongeren tegen te gaan. Wilde uit alle narigheid iets halen wat betekenisvol kon zijn voor de maatschappij. Voor de jeugd.’ 

'Buiten de extreme polen word ik gewoon gezien voor wie ik ben'

Radicalisation Awareness Network

Hij kreeg contact met het Radicalisation Awareness Network (RAN), waar hij vertelde over zijn ervaringen. Vervolgens mocht hij spreken op congressen. Daar gaf hij professionals een kijkje in het hoofd van iemand die radicaliseert en vervolgens deradicaliseert. Het gaf hem de moed om te reageren op een vacature in het speciaal onderwijs. Tijdens de sollicitatie was hij open over zijn verleden. Zijn nieuwe werkgever vond het juist van meerwaarde omdat de leerlingen behoren tot een doelgroep die kwetsbaar is voor invloeden van buitenaf. ‘Zo kreeg ik uiteindelijk toch mijn gedroomde docentenbaan.’

Hij merkt tegenwoordig nauwelijks nog dat mensen hem met argwaan bekijken. Alleen extreemlinks en extreemrechts hebben zich nog weleens geroerd. ‘In de ogen van extreemlinks zal ik – denk ik – nooit kunnen rehabiliteren als voormalig radicaal. En voor extreemrechts ben ik een verrader. Maar buiten de extreme polen word ik gewoon gezien voor wie ik ben.’ 

Preventie is altijd beter

Terugkijkend op zijn jeugd en zijn radicalisering richting extreemrechts, ziet hij wel waar het fout ging. En wat jeugdprofessionals in zijn geval beter hadden kunnen doen. ‘Preventie is altijd beter, want deradicaliseren is erg moeilijk. Het onderwijs en het jongerenwerk zouden nog meer samen moeten optrekken en in moeten zetten op burgerschap, democratische waarden aanleren en jongeren weerbaarder maken door hen kritisch leren omgaan met bronnen.’

Maar wat als een jongere al wel aan het radicaliseren is? Destijds hadden zijn docenten weinig kaas gegeten van radicaliseringsprocessen, vertelt Letteboer. Eerstelijns professionals gun je kennis over radicalisering en hoe je het herkent, vindt hij. Bijvoorbeeld door het volgen van een training als 'Omgaan met extreme idealen' (OMEI), die  vanuit een pedagogisch perspectief bijdraagt aan een beter begrip van radicaliseringprocessen bij jongeren. ‘Je moet het gesprek kunnen voeren. Vragen weten te stellen. Niet eenvoudig, want als je met een jongere te maken hebt die rechts radicaliseert, dan praat hij of zij je zo omver. Dat geldt net zo goed voor jihadisme.’ 

De kunst is dan ook vooral om het gesprek op een open manier aan te gaan. Stijn Sieckelinck, expert op het gebied van jongeren en radicalisering, vertelt in deze video hoe het gesprek te voeren met iemand die extreem gedachtegoed heeft. Als een jeugdprofessional vervolgens ontdekt dat het te inhoudelijk wordt, dan is het slim om een collega erbij te vragen.  Of iemand van de gemeente. Of contact op te nemen met het Landelijk Steunpunt Extremisme (LSE).

'Voorkom dat jongeren jou als vijand gaan zien'

Geef grenzen aan

Geef jongeren vooral niet het gevoel dat het verkeerd is wat ze denken, vindt Letteboer. ‘Dat betekent ook dat je als jeugdprofessional niet direct de mening van tieners van tafel veegt. Of snel oordeelt. Of over straffen praat. Dan krijgen jongeren het gevoel dat het totaal verkeerd is wat ze denken. Ze gaan je als vijand zien. Dan jaag je ze weg. Pas als er sprake is van enig vertrouwen, kun je proberen hun tunnelvisie te doorbreken door vragen te stellen. Ook kun je grenzen aangeven. In Nederland mag je immers denken wat je wilt, maar aan het uiten van je mening zijn grenzen verbonden. Ook kun je aangeven hoe je langs democratische weg kunt bouwen aan je idealen. Een les geschiedenis leent zich daar bijvoorbeeld goed voor. Precies wat ik tegenwoordig doe als leraar geschiedenis.’