Quick programmascan

Gemeenten hebben vaak een plan van aanpak of programma waarin de lokale strategie tegengaan van radicalisering en het voorkomen van radicalisering (de lokale aanpak) wordt beschreven. De quick programmascan is een instrument om een snelle eerste check te doen of de lokale aanpak kwalitatief goed in elkaar zit en goed wordt uitgevoerd.

Een programma (lokale aanpak) wordt gekarakteriseerd door een samenhangend geheel van een visie, strategie en beleid die leiden tot het voorkomen en tegengaan van radicalisering. Binnen dit geheel zijn concrete interventies opgenomen die bijdragen aan de doelstelling.

De quick programmascan is een verkorte vorm van een programmaevaluatie. Met de quick programmascan kijk je naar de lokale aanpak als geheel en niet naar alle afzonderlijke interventies die worden ingezet. Dit geeft een beeld over de lokale aanpak en of deze in beginsel voldoet aan de juiste voorwaarden om effectief te kunnen zijn. De scan maakt sterke punten maar ook blinde vlekken en verbeterpuntenpunten van de lokale aanpak inzichtelijk. Op basis van de uitkomsten van de scan kunnen gemeenten reeds bestaand beleid  bijsturen of het nog te ontwikkelen beleid ter voorkoming van radicalisering nog beter vormgeven.  

Daarnaast kan de quick programmascan ook worden gebruikt door gemeenten die nog geen lokale aanpak radicalisering hebben, maar deze willen ontwikkelen. De quick programmascan kan dan worden ingezet als checklist van de bouwstenen waaruit een lokale aanpak minimaal zou moeten bestaan.

In het format quick programmascan staan 26 controle vragen om een snelle scan van de lokale aanpak te maken.  Zie hieronder de toelichting bij de 26 vragen.

Uitkomsten van de quick programmascan

Presenteer de resultaten van de quick programmascan aan relevante stakeholders en bespreek ze per onderdeel goed door. Bepaal gezamenlijk de benodigde vervolgstappen. Vervolgstappen kunnen bijvoorbeeld zijn het herijken van de visie, het maken van een analyse van het risico op radicalisering,  het verdiepend kijken naar specifieke groepen die mogelijk vatbaar zijn voor radicalisering, het richten op verschillende vormen van radicalisering etc. Communiceer de vervolgstappen naar de benodigde partijen. Maak SMART (Specifiek, Meetbaar, Acceptabel, Realistisch, Tijdsgebonden) afspraken over wanneer welke vervolgstappen worden gezet en wie verantwoordelijk is voor welke actie.

Toelichting controle vragen

Om de vragen zo goed mogelijk te kunnen beantwoorden, volgt hier een toelichting bij de vragen in de quick programmascan. Deze toelichting is gebaseerd op inzichten uit wetenschappelijk onderzoek en ervaringen uit de lokale, nationale en internationale praktijk rondom lokale aanpakken en programma’s ter preventie van radicalisering.

Uitleg  vraag 1
Om radicalisering te voorkomen en tegen te gaan, is het allereerst van belang dat je weet hoe een radicaliseringsproces kan verlopen en welke voedingsbodem, oorzaken en triggerfactoren hieraan ten grondslag kunnen liggen. In het programma/de lokale aanpak moet de visie op het fenomeen radicalisering worden opgenomen en moet worden beschreven hoe de verschillende onderdelen van de lokale aanpak en de ingezette interventies een bijdrage kunnen leveren aan het voorkomen en tegengaan van radicalisering. In het programma moet dus duidelijk worden gemaakt welke activiteiten een bijdrage leveren aan het voorkomen van welke voedingsbodem, oorzaken en triggerfactoren.

Uitleg vraag 2
De lokale aanpak is per gemeente verschillend en anders opgezet maar elke lokale aanpak bestaat uit een combinatie van interventies die gericht zijn op individuen en groepen in verschillende fases van het radicaliseringsproces. Te denken valt aan het voorkomen  van radicalisering in een vroege fase door het wegnemen van de voedingsbodem en het vergroten van de weerbaarheid van kwetsbare jongeren. Belangrijke thema’s in dit type beleid zijn burgerschap, weerbaarheid, positieve toekomst en- identiteitsontwikkeling en veilig opvoeden & opgroeien. Onder dit preventie beleid worden ook interventies verstaan gericht op mensen in een radicaliseringsproces, die nog géén strafbare feiten hebben begaan (bijv. sympathisanten van een extremistisch gedachtegoed). Dit beleid is veelal een individuele maatwerkaanpak, waarin de sociale context een belangrijk onderdeel vormt, bijvoorbeeld door het bieden van een (alternatief) sociaal netwerk, toekomstperspectief en familieondersteuning. Tot slot ligt de nadruk bij extremisten en terroristen (bijv. ronselaars of terugkeerders), die in het radicaliseringsproces al wel zijn overgegaan op het plegen van strafbare feiten, op het voorkomen dat zij na een strafrechtelijke aanpak opnieuw de fout ingaan. Dat gebeurt via een maatwerkplan, bestaand uit een combinatie van interventies zoals coaching/mentoring, praktische ondersteuning, ideologische/religieuze begeleiding, familieondersteuning, alternatief sociaal netwerk en psychologische begeleiding.

Uitleg vraag 3
In het verlengde van vraag 1 waarin wordt aangegeven dat het programma een visie dient te bevatten op het radicaliseringsproces, gaat het in deze vraag om de uitwerking van de specifieke voedingsbodem en risico- en triggerfactoren die in de lokale context aanwezig zijn. Er zijn een groot aantal algemene risico- en triggerfactoren voor radicalisering die van toepassing kunnen zijn. De tool triggerfactoren van ESS kan behulpzaam zijn bij de onderbouwing van de inzet van interventies en de opzet van de lokale aanpak.
Het programma dient ook aan te geven of er een specifieke voedingsbodem aanwezig is in de lokale context die aandacht behoeft. Dit kan bijvoorbeeld een wijk zijn waarin relatief veel sympathisanten van een extremistische groep wonen of een gebeurtenis in de gemeente (bv. vernieling van een symbolische plek) welke aanleiding heeft gegeven tot spanningen. Deze onderbouwing van de voedingsbodem en risico- en triggerfactoren helpt om in het programma de kwetsbare plekken en groepen te duiden waar door middel van interventies op ingezet kan worden.

Uitleg vraag 4                                                        
Naast risicofactoren dient het programma/de lokale aanpak ook in te grijpen op beschermingsfactoren. Wat zorgt ervoor dat iemand juist weerbaar is en blijft tegen radicalisering? Het programma moet daarom ook zijn gericht op het versterken van de beschermingsfactoren. Voorbeelden van interventies die beschermingsfactoren stimuleren zijn democratische vorming, inzet op ondersteunend sociaal netwerk (familie/school/werk/vrienden), ideologische weerbaarheid, ontwikkeling van kritisch reflectie vermogen, hulp bij identiteitsvraagstukken, weerbaar opvoeden, stimuleren van maatschappelijke participatie  en sociale vaardigheden. De volgende bronnen kunnen geraadpleegd worden voor meer informatie over beschermende factoren:

Uitleg vraag 5                                                   
Belangrijk bij het ontwikkelen en stimuleren van weerbaarheid, is dat niet alleen op het individuele niveau of alleen op groeps- of gemeenschapsniveau moet worden ingestoken, maar op verschillende (aan elkaar verbonden) niveaus tegelijkertijd. In de praktijk kan dit betekenen dat als wordt gewerkt aan de weerbaarheid van een specifieke gemeenschap als geheel met trainingen, tegelijkertijd wordt ingezet op de weerbaarheid van individuele jongeren uit diezelfde gemeenschap door middel van coaching.Een ander voorbeeld is het werken met een jongere vanuit de school en gelijktijdig met zijn/haar ouders vanuit de gemeente.

Uitleg vraag 6, 7 en 8                                              
De lokale aanpak /het programma moet een antwoord vormen op de problemen die in een gemeente spelen. Als in een gemeente jihadisme niet voorkomt en het niet reëel is dat dat in de nabije toekomst gaat gebeuren, dan is het weinig zinvol activiteiten te ontwikkelen die jihadisme moeten voorkomen en tegengaan. Het kan veel relevanter zijn om bijvoorbeeld activiteiten te ontwikkelen die zich richten op het voorkomen en tegenaan van rechts- en/of links-extremistische radicalisering.  Bij het maken en evalueren van het programma is het dus belangrijk aan te sluiten bij lokale analyses en inzichten over welke vormen van radicalisering en extremisme in de gemeente aanwezig zijn of dreigen te ontstaan. Daarbij vormt de input van belangrijke maatschappelijke partners (zoals politie, welzijn, gemeenschappen etc.) een belangrijke bron. Het multidisciplinair casusoverleg is een samenwerkingsvorm die het ophalen van signalen en trends binnen de gemeente stimuleert. Zie voor meer informatie ook de geleerde lessen over het multidisciplinair casusoverleg.   

Uitleg vraag 9 en 10                                                               
De effectiviteit van een programma is afhankelijk van de manier waarop verschillende doelgroepen en gemeenschappen het programma interpreteren. In veel gemeenten is sprake van diverse vormen van radicalisering en extremisme. Zorg ervoor dat je als gemeente hiervan op de hoogte bent en zet acties en interventies in op basis van de omvang en ernst van radicalisering. Voorkom stigmatisering door aandacht te houden voor de diversiteit van mensen, type radicalisering en organisaties waarmee wordt gewerkt in de preventie van radicalisering. Zorgvuldig en niet polariserend taalgebruik in het programma is daarbij essentieel.

Uitleg vraag 11                                                 
Eerstelijnswerkers (jongerenwerkers, wijkagenten, onderwijzers etc.) zijn de ogen en oren van de straat. Om deze reden is het belangrijk dat zij in staat zijn (mogelijke) radicalisering tijdig te signaleren en dat zij weten wat zij moeten doen. Hiervoor moeten de eerstelijnswerkers worden getraind. Idealiter worden deze professionals gezamenlijk getraind zodat inzicht wordt vergroot in elkaars werkzaamheden en gedurende de training afspraken met elkaar kunnen worden gemaakt over wie wat doet of kan signaleren. Maar ook sleutelfiguren als vertegenwoordigers van gemeenschappen en/of maatschappelijke organisaties, ouders en leeftijdsgenoten (peers) mogen als doelgroep niet worden vergeten. Sterker nog, onderzoek wijst uit dat leeftijdsgenoten het beste in staat zijn om radicalisering te signaleren. Kortom, deskundigheidsbevordering en informatie voor professionals, gemeenschappen en ook leeftijdsgenoten is een essentieel onderdeel van het programma. Deskundigheidsbevordering zal qua vorm verschillen van voorlichting voor peers tot meerdaagse trainingen voor sleutelfiguren en ander nauw betrokken professionals.

Uitleg vraag 12, 13, 14, 15                                        
Juist omdat radicalisering een complex fenomeen is met meervoudige oorzaken, is een integraal en holistisch preventieve lokale aanpak essentieel. Een goede verbinding tussen veiligheid, zorg en onderwijs is cruciaal, zowel binnen als buiten de gemeentelijke organisatie. Dat vraagt bijvoorbeeld dat professionals uit het sociaal domein zich voldoende bewust zijn van het onderwerp en professionals uit het veiligheidsdomein voldoende bewust zijn van welke zorgpartners kunnen bijdragen aan de aanpak van radicalisering. Voor kleinere gemeenten kan aansluiting bij bestaande samenwerkingsverbanden tussen het sociaal- en veiligheidsdomein (op andere beleidsterreinen) raadzaam zijn.  

Uitleg vraag 16 en 17                             
Als onderdeel van het programma, is het belangrijk een signaleringsstructuur te hebben voor het melden van zorgelijke signalen over radicalisering en de terugkoppeling daarop. In deze structuur moeten in ieder geval kernpartners, strategische externe partners zoals jongerenwerk, scholen en maatschappelijke instellingen zijn opgenomen. Melders (zoals professionals en sleutelfiguren) moeten weten hoe, waar en wanneer zij een melding kunnen maken, hoe met deze informatie wordt omgegaan en welke terugkoppeling zij kunnen verwachten.

Uitleg vraag 18,19                                                     
Vanuit het Rijk  zijn diverse organisaties opgericht of initiatieven ontwikkeld die gemeenten en/of professionals kunnen ondersteunen. Voorbeelden hiervan zijn  de Expertise Unit Sociale Stabiliteit (ESS, de informatie voor gemeenten en professionals op de website van de NCTV, het Rijksopleidingsinstituut tegengaan Radicalisering (ROR, het Landelijk Steunpunt Extremisme (LSE) en Jeugd preventie Extremisme en Polarisatie(JEP) Het is handig om gebruik te maken van bestaand aanbod. . Daarnaast zijn er veel regionale initiatieven en samenwerkingsverbanden in de aanpak van radicalisering. Goed om hiervan op de hoogte te zijn en daar - indien opportuun - bij aan te sluiten.

Uitleg vraag 20,21,22,23                                         
Continuïteit van het programma is van essentieel belang. Het programma wordt kwetsbaar op het moment dat de meeste activiteiten zijn belegd bij voornamelijk één persoon binnen de gemeente (bijvoorbeeld de adviseur OOV) of dat de lokale aanpak volledig afhankelijk is van externe financiering. Borging van de aanpak en kennis & kunde is dus van wezenlijk belang. Aansluiting van de gemeente bij regionale netwerken waar ervaringen over de preventieve lokale aanpak worden gedeeld,  kan bijdragen aan het borgen van de kennis.

Uitleg vraag 24                                                
Als onderdeel van het programma is het van belang een dossierhouder radicalisering te hebben. Deze fungeert als primair aanspreekpunt voor vragen en signalen vanuit de lokale partners gericht op preventie van radicalisering. De dossierhouder is veelal werkzaam voor de afdeling Openbare Orde en Veiligheid om zo ook korte lijnen met de burgemeester te houden. Voor kleinere gemeenten kan aansluiting worden gezocht met een dossierhouder uit een grotere gemeente die een regionale regierol kan vervullen.

Uitleg vraag 25                                               
In het kader van democratische verantwoording en legitimiteit is het belangrijk transparant te zijn over het beleid. Dat vraagt om een communicatiestrategie richting publiek, professionals en politiek waarin helder wordt toegelicht dat er een programma ter preventie van radicalisering is, wat de doelstellingen van dit programma zijn, waar men het terug kan lezen en bij wie men terecht kan bij vragen en/of zorgen.

Uitleg vraag 26                                    
Om een programma te evalueren moet bij de ontwikkeling van het programma al worden nagedacht over monitoring en evaluatie. Vaak wordt daar pas tussentijds of achteraf over nagedacht en dat beperkt de mogelijkheden voor goede evaluatie aanzienlijk. Denk dus vooraf na over (SMART) doelstellingen en indicatoren voor iedere interventie, eis van project- of interventie uitvoerders een evaluatie en betrek eventueel externe onderzoekers voorafgaand aan de uitvoering van het programma. Maak hiervoor gebruik van het format uit deze toolkit.