Het verhaal van Rachid (15)

Ik kom uit een gezin met acht kinderen. Mijn vader kwam op zestienjarige leeftijd als gastarbeider vanuit de Marokkaanse stad Tanger naar Eindhoven, waar hij een paar jaar later zijn vrouw leerde kennen.

Ik ben de op een na oudste van het gezin. Karima, mijn zus, is een jaar ouder. Mijn vader werkt in de bloemenveiling, mijn moeder zorgt voor de kinderen. Het geloof heeft altijd een grote rol gespeeld in ons gezin. Al mijn broers en zussen zijn opgevoed met de beginselen van de islam en werden door hun vader naar de moskee gebracht waar ze Koranlessen volgen. Vooral mijn vader stimuleerde het feit dat wij zouden opgroeien tot gelovige moslims. Mijn moeder kon het minder schelen. Op school heb ik nooit noemenswaardige problemen gehad. Zo kwam ik tot groot plezier van mijn ouders terecht op het vwo. Goede schoolresultaten waren voor hen een absolute vereiste. Mijn vader hield ons voor dat hij zelf weinig kansen heeft gehad om te studeren en dat wij daarom de kansen moesten grijpen die we in Nederland kregen.

Ontwikkeling

Vroeger deed ik ‘alles wat God verboden heeft’. Ik dronk alcohol, zat achter de meisjes aan en pleegde regelmatig kleine delicten, waardoor ik een aantal keer in aanvaring kwam met de politie. Toch stond ik iedere dag trouw op het tijdstip van het gebed op. En vanaf het ogenblik dat in Palestina de tweede intifada uitbrak, raakte ik steeds meer geïnteresseerd in buitenlandse politiek. Vooral de beelden van Mohamed Dorra, het Palestijns jongetje dat samen met zijn vader dekking zoekt voor de Israëlische kogels, maakten een diepe indruk. Het herinnerde mij eraan dat ik al als negenjarig jongetje ervan droomde om naar de oorlog in Bosnië te gaan. Ik bezocht de Koranschool, leende regelmatig islamitische boeken uit de bibliotheek, raadpleegde het internet en luisterde naar preken van geleerden die ‘niet onder de plak zitten van Amerika’. Pas op: ik liet geen baard staan, veranderde niks aan mijn manier van kleden en gaf vrouwen netjes een hand.

Verandering

In de zomer van 2001 bracht ik nog een zorgeloze tijd door in Marokko. Maar een paar maanden later zetten de aanslagen op de WTC-torens in New York mijn wereld op zijn kop. En toen dacht ik: ik moet gewoon serieus worden, want er is niemand die rijk is en hoogopgeleid en dan zomaar met een vliegtuig een toren invliegt, dus daar moet iets achter zitten. Die persoon heeft iets waar hij het voor doet. Toen begon ik te zoeken, op internet, en toen dacht ik bij mezelf: ze hebben groot gelijk. Vanaf dat ogenblik besloot ik dat ik mijn zorgeloze leven wilde beëindigen en dat ik me voortaan wilde inzetten voor mijn moslimbroeders die het slachtoffer zijn van oorlogsgeweld. Ik besloot om geen alcohol meer te drinken, niet meer uit te gaan en weigerde om vrouwen de hand te schudden. Mijn ouders merkten daar niks van. Ook toen ik steeds meer begon te spijbelen, dachten ze dat ik braaf op school zat of ging sporten. Meer wisten ze niet. En al zeker niet over de websites die ik stiekem op mijn kamer bezocht. In onze cultuur is het nou eenmaal zo dat een jongen heel vrij is. Ik kon gewoon de deur uitgaan zonder te zeggen waar ik naartoe ging.

Tussenkomst

Ik ben toen op mijn zestiende, zonder dat mijn ouders het wisten, getrouwd met Latifa, die ik via het internet had leren kennen. Ik heb het ouderlijk huis verlaten en zou school steeds meer gaan verwaarlozen. Er is nooit veel communicatie geweest met mijn ouders. Zij begrepen mij toch niet. Ik wist wel dat mijn moeder heel bang was dat een zoon van haar terrorist zou worden. Mijn vader, hoewel die heeft verhinderd dat ik als jihadstrijder naar het buitenland kon vertrekken, zou wel trots zijn geweest als ik als martelaar was omgekomen. Want ik wilde echt naar het buitenland vertrekken en alleen mijn zusje was daarvan op de hoogte. Ik wist dat zij te vertrouwen was omdat ze dacht ‘ach het is een fase, dat gaat wel weer over’. Het meest nog wilde ik afrekenen met de gematigde moslims in Nederland, een stelletje laffe koeien die hun vernedering hebben geaccepteerd. Wat mij het meest tegen de borst stuit, is dat zij constant in een slachtofferrol kruipen. Ze janken op tv, ze smeken om vernederd te worden, ze hebben totaal geen eergevoel. Sta een keer op en zeg: dit is een recht dat God mij heeft gegeven en daar sta ik voor.’

Afloop

Mijn opvattingen hebben niets te maken met het feit dat ik me buitengesloten zou voelen door de Nederlandse samenleving. Ik ben nooit slecht behandeld eigenlijk. Als ik ging solliciteren, werd ik altijd aangenomen. Ik ben niet boos op Nederlanders, ik kan goed met Nederlanders omgaan. Maar mijn punt is: als je wordt aangevallen, dan ben je verplicht om terug te vechten. Het is niet mijn ambitie om de Nederlandse maatschappij te veranderen. Met Nederland heb ik sowieso niet zoveel. Mijn enige grenzen die er zijn, zijn de grenzen die in het geloof liggen. Ik ben niet iemand die zegt: nee, ik heb liever dit. Als het een verplichting is vanuit het geloof dan doe ik het. Dan mag iedereen tegen mij zeggen: nee, maar dan zeg ik: ja, want ik heb geen keus.